Friday, January 31, 2014

Office 365 Partner portal onder handen genomen

Het was vandaag een aangename verrassing om de Office 365 Portal te openen en als partner de omgeving van onze klant te beheren. Het eerste wat direct opvalt is dat de klanten die het beheer aan ons gedelegeerd hebben direct in een lijst zichtbaar zijn, dit werkt een heel stuk prettiger dan het domein handmatig in moeten typen.

image

Wanneer je een klant selecteert dan kun je direct doorklikken naar het Office 365, Exchange, SharePoint of Lync admin center. Klikken we in plaats daarvan op Service Requests of Service Health in het linkerpaneel dan zien we ook direct alleen datgene wat van toepassing is op de omgeving van deze klant.

Al met al een hele verbetering van dit deel van de Office 365 Portal!

Tuesday, January 28, 2014

Office 365 en Windows Azure AD beheren met PowerShell

Microsoft heeft de afgelopen jaren beslist niet stilgezeten als het gaat om het beheer van Office 365. De moderne webinterface biedt veel functionaliteit, is consistent vormgegeven over de verschillende gebieden en is duidelijk genoeg om snel je weg in te vinden.

image

Toch zijn er legio redenen te bedenken waarin je toch graag toegang wilt krijgen met PowerShell, bijvoorbeeld om zaken in te stellen die niet in de webinterface kunnen of om herhalende taken uit te voeren. Denk bijvoorbeeld aan het automatisch toewijzen van licenties aan nieuwe gebruikers.

Als we SharePoint Online en Lync Online even buiten beschouwing laten dan spreken we eigenlijk over twee verschillende PowerShell omgevingen. Als eerste is er Exchange Online PowerShell, hier kunnen we onder andere het volgende mee doen:

  • (Shared) mailboxen aanmaken of wijzigen
  • Rechten op mailboxen aanpassen
  • Etc.

En dan is er nog de Windows Azure AD PowerShell Module, voorheen bekend als Microsoft Online PowerShell Module. Dat laatste zie je nog terugkomen in de naam van de cmdlets, die bevatten allemaal de string ‘msol’. Hiermee kunnen we onder andere de volgende zaken regelen:

  • Toevoegen van een domein aan Office 365
  • Domein omzetten naar federated of stand-alone
  • Licenties toewijzen aan gebruikers

In de praktijk is het handig om een eenvoudig PowerShell script op je computer te hebben staan die verbinding maar met zowel Exchange Online als Azure AD. Hiermee kun je dan altijd alle werkzaamheden uitvoeren.

We starten met het installeren van de Windows Azure AD Module, die op zijn beurt afhankelijk is van de Microsoft Online Services Sign-in Assistant. Een link naar beide downloads vind je hier: Manage Windows Azure AD using Windows PowerShell.

Vervolgens sla je het volgende script op als .ps1-bestand op je eigen computer. Wijzig de UPN in die van je Office 365 beheeraccount, dit spaart je wat typewerk omdat je alleen nog je wachtwoord hoeft in te voeren als daar om gevraagd wordt:

Function Vraag-Credentials
{
$Global:Cred = Get-Credential -Credential beheerder@tenant.onmicrosoft.com
}

Function Verbind-AzureAD
{
Connect-MsolService  -Credential $Cred
}

Function Verbind-ExchangeOnline
{
$Session = New-PSSession -ConfigurationName Microsoft.Exchange -ConnectionUri
https://outlook.office365.com/powershell-liveid/ -Credential $Cred -Authentication Basic -AllowRedirection
Import-PSSession $Session
}

Import-Module msonline
Vraag-Credentials
Verbind-AzureAD
Verbind-ExchangeOnline

Voordat je een niet-ondertekend script kunt draaien kan het nodig zijn om je computer hier eerst voor te configureren: Set-ExecutionPolicy Unrestricted

Wanneer je dit script uitvoert krijg je een PowerShell sessie waarin je zowel Azure AD als Exchange Online voor deze Office 365 omgeving kunt beheren.

Friday, January 24, 2014

Mailbox quota instellen in Office 365

Click here for full size image

Je kunt wel zeggen dat het instellen van mailbox quota vooral iets van de vorige eeuw is, toen een harddisk nog 2,1 GB groot was en evenveel kostte als wat je nu voor een entry-level server betaalt. Vooral als het gaat om Office 365 waarbij je tegenwoordig zelfs bij het goedkoopste abonnement als een 50 GB mailbox krijgt.

Toch is er nog een situatie waarin je toch een mailbox quotum in wilt stellen, namelijk bij de speciale ‘shared mailbox’. Een shared mailbox is een speciale mailbox waar geen Office 365 of Exchange Online licentie voor nodig is. Je geeft vervolgens één of meerdere gebruikers (die wel een licentie hebben) toegang tot deze gedeelde mailbox.

De enige beperking die hier aan zit is dat deze mailbox maximaal 10 GB groot mag worden, als de mailbox groter wordt dan is een Exchange Online 1 of 2 licentie nodig. En hier komen mailbox quota dus weer in beeld. Normaal gesproken kun je dit eenvoudig instellen in het Office 365 Exchange Admin Center:

image

Helaas ontbreekt in Office 365 de knop ‘More options’ waar naar verwezen wordt, je kunt dit in Office 365 blijkbaar niet in EAC instellen: “These settings aren’t available in the EAC in Exchange Online.” Dat betekent dat we terugvallen op de ‘ouderwetse’ Exchange Management Console. Om te beginnen maken we een remote PowerShell sessie met Exchange Online:

$UserCredential = Get-Credential
$Session = New-PSSession -ConfigurationName Microsoft.Exchange -ConnectionUri
https://outlook.office365.com/powershell-liveid/ -Credential $UserCredential -Authentication Basic -AllowRedirection
Import-PSSession $Session

Vervolgens kunnen we net als in een on-premises omgeving de storage quota’s instellen:

Get-Mailbox -Filter { RecipientTypeDetails -eq "SharedMailbox" } | Set-Mailbox -ProhibitSendReceiveQuota 10GB -ProhibitSendQuota 9.75GB -IssueWarningQuota 9.5GB

Als we klaar zijn ruimen we de sessie weer op:

Remove-PSSession $Session

imageOp deze manier hebben we dus een mailbox quotum van 10 GB ingesteld op alle gedeelde mailboxen in onze Office 365 organisatie.

Thursday, January 9, 2014

ADFS op een domain controller, goed idee?

Met de opkomst van Office 365 rollen steeds meer organisaties Microsoft Active Directory Federation Services (ADFS) uit in hun omgeving. Voor de meeste mensen gaat het hier om nieuwe techniek die meestal ook nog eens gelijk komt met directory synchronisatie en nog maar de start is van een ingewikkeld migratietraject. Er leven dan ook nogal wat vragen rondom ADFS en één daarvan is of het een goed idee is om ADFS op een domain controller te installeren. In dit artikel wil ik hier uitleg over geven.

Waarom wel?

Het combineren van lichte rollen werd lang als best practice beschouwd, op deze manier werd zo efficiënt mogelijk gebruik gemaakt van de dure hardware en Windows Server licentie. Het installeren van ADFS op een domain controller vermindert dus het aantal servers.

Omdat Microsoft het adviseert voor organisaties met minder dan 1000 gebruikers: “For the federation servers, use two existing Active Directory domain controllers (DCs) and configure them both for the federation server role.” Waarom die grens van 1000 gebruikers, wat gebeurt er als je 1200 gebruikers hebt? Dit getal moet niet gezien worden als een harde norm maar je kunt wel uit het artikel afleiden dat Microsoft deze opstelling adviseert wanneer het moeilijk is om de inzet van dedicated servers te rechtvaardigen.

Domain controllers staan altijd aan en iedere beheerder weet dat deze server belangrijk is voor de werking van de Active Directory omgeving en vrijwel alle services in het netwerk. Als je ADFS ook op deze server zet dan wordt die waarschijnlijk met dezelfde zorg behandeld.

En waarom dan niet?

Tegenwoordig zijn de kosten per Windows server sterk gedaald, door virtualisatie draaien er meerdere servers op een fysieke host en de licentie is al gekoppeld aan de fysieke server. Hoe meer virtuele Windows Servers, hoe lager de kosten per server.

ADFS servers worden dubbel uitgevoerd, net als domain controllers, maar hebben wel load balancing nodig. Wanneer je kiest voor WNLB dan is het doorgaans nodig om een extra netwerkadapter toe te voegen. Dat is iets wat je op een domain controller zeker niet wilt doen.

Of omdat Microsoft het afraadt voor gebruik in productie: “Because ADFS requires the installation of Internet Information Services (IIS), we strongly recommend that you not install any ADFS components on a domain controller in a production environment.” Dit geldt weliswaar voor Server 2003 maar is ook van toepassing op ADFS in Server 2008, 2008 R2 en Server 2012.

Bij gecombineerde rollen gaat het niet alleen om ADFS. In de praktijk zien we op de domain controller nog tal van andere taken, zoals Certificate Authority, (Terminal Server) KMS/Licensing server, Citrix licensing of zelfs Exchange. Bij onderhoud, troubleshooting of in geval van disaster recovery werkt het een stuk makkelijker als een server slechts een taak heeft. Zo kan het wel eens wenselijk zijn om een problematische domain controller geforceerd uit AD te halen en daarna de metadata op te schonen. Probeer dat maar eens als er nog allerlei andere taken op de server draaien.

In de aanbevolen configuratie wordt met ADFS ook de Windows Internal Database geïnstalleerd. Hiermee neemt het aantal te installeren updates toe en dus de algemene beheerlast. Niet alleen de security footprint neemt hiermee toe, maar je vergroot ook het attack surface. Iets wat je zeker niet welkt met de server waarop de complete security databases van je domain is ondergebracht.

Dus?

Mijn advies is om ADFS op minimaal twee dedicated servers te installeren. Minimaal één server dus en extra server voor redundancy, daarboven heb je een ADFS server nodig per 15.000 gebruikers. Gebruik dan naar wens WNLB om de servers te load balancen of beter, gebruikt een echte load balancer die ook het gezond functioneren van de servers in het oog houdt.

En als het echt op een domain controller moet dan heeft ADFS 3.0 uit Windows Server 2012 R2 de voorkeur omdat deze niet meer afhankelijk is van IIS.

Monday, January 6, 2014

Hoe zit dat nu met Office 365, DirSync en de UPN?

Onlangs schreef Jethro Seghers, een Belgische Office 365 MVP een artikeltje met de titel How to allow DirSync to synchronize a .local domain without a domain rename. De schrijver stipt een belangrijk aspect aan waar veel mensen mee te maken krijgen bij een Office 365 implementatie. Alleen ontbreekt in het artikel een stukje context en is de term ‘domain rename’  wat ongelukkig gekozen. Met deze blogpost wil ik uitleggen wat het issue werkelijk is en waarom een domain rename hier eigenlijk niets mee te maken heeft.

Wat is een UPN eigenlijk?

De User Principal Name (UPN) is een Active Directory attribuut in de vorm van een e-mailadres. De waarde voor userPrincipalName hoeft niet altijd gevuld te zijn, het is gewoon een eigenschap van het object zoals ook de cn, name, distinguishedName, en objectGUID attributen dat zijn.

Een UPN bestaat uit een prefix en een suffix, beide delen worden gescheiden door een apenstaartje (@). De UPN wordt ook wel eens internetstijl inlognaam genoemd omdat deze lijkt op een e-mailadres.

In Office 365 wordt de UPN gebruikt om mee aan te melden, dus niet een vorm zoals bijvoorbeeld domein\gebruiker.

Belangrijk om te weten is dat gebruikers een expliciete en een impliciete UPN hebben. Om met die laatste te beginnen, een gebruiker kan altijd aanloggen met zijn impliciete UPN: UserName@dnsdomainname. Dus ook als het userPrincipalName attribuut niet gevuld is.

Een expliciete UPN is een extra UPN die je zelf in kunt stellen door het userPrincipalName attribuut te vullen. Hierbij kun je zowel de prefix als de suffix zelf bepalen. Laten we eens naar een voorbeeld kijken:

image

De impliciete UPN van deze gebruiker is dus Henk@lab1.local en de gebruiker kan hiermee op een AD werkplek aanmelden. Vervolgens stellen we een expliciete UPN in, in het veld userPrincipalName overschrijven we Henk@lab1.local met fiets@banaan:

image

Met deze extra UPN kan de gebruiker nu dus ook aanloggen:

image

Ik heb in dit voorbeeld bewust gekozen voor een rare UPN Suffix. We zijn dus niet beperkt tot eventuele extra suffixes die we in het domein aan kunnen maken volgens: HOW TO: Add UPN Suffixes to a Forest. De suffixes die we hier toevoegen verschijnen vervolgens in de drop-down list in Active Directory Users and Computers (ADUC):

image 

Wat heeft DirSync daar mee te maken?

DirSync is de gratis FIM 2010 implementatie die Office 365 klanten mogen gebruiken om hun AD-objecten naar Windows Azure AD te synchroniseren. Voordat je deze inschakelt moeten de te synchroniseren AD objecten aan een aantal eisen voldoen. Zo mogen er bijvoorbeeld geen ongeldige karakters in de AD velden staan en moet de UPN aan het volgende voldoen:

Your Active Directory environment must be properly configured in order for your users to sign-in to Microsoft online services. In particular, the userPrincipalName (UPN) attribute, also known as a user logon name, must be set up correctly for each user in a specific way. The UserPrincipalName attribute must use a publically routable domain.  If you are not currently using a publically routable domain, you will need to update your users UserPrincipalNames.  To do this, add an alternative UPN suffix in your on-premises Active Directory.

Zo kunnen we lezen in Prepare for directory synchronization. De reden hiervoor is dat je gebruikers met hun UPN moeten aanmelden bij de Office 365 diensten, aan de hand van de UPN suffix wil Microsoft dan kunnen bepalen of je een ook een wachtwoord in moet geven of dat je organisatie gefedereerd is en er een redirect naar een ADFS-server moet worden gegeven.

Wat nu als mijn UPN niet voldoet?

Zo komen we weer bij het probleem uit het artikel wat ik eerder aanhaalde. Wat nu als mijn DNS domein naam op .local eindigt? Dan voldoet de impliciete UPN dus niet aan de eisen omdat deze eindigt op @domain.local. Dan voegen we daar dus een expliciete UPN aan toe die wel een ‘publically routable name’ heeft. Dan kan dus door een suffix toe te voegen aan ADUC en deze per gebruiker te kiezen, door het userPrincipalName attribuut voor iedere gebruiker te bewerken met ADSIEdit of ADUC of natuurlijk scriptmatig.

Er zijn een aantal mogelijkheden om dit te doen, bijvoorbeeld met de native Server 2012 AD cmdlets:

Get-ADUser -Filter { UserPrincipalName -like "*@lab1.local"} |
ForEach-Object {
$UPN = $_.UserPrincipalName.Replace("lab1.local","office365lab.com")
Set-ADUser $_ -UserPrincipalName $UPN
}

Welke UPN deel ik uit?

Goed, we hebben aan gebruiker Henk nu uitgelegd dat hij mag inloggen met henk@office365lab.com want dat is zijn username met de nieuwe UPN suffix. Maar Henk had ook al een mailadres die daar op lijkt: h.steen@office365lab.com. Als we dan toch een nieuwe UPN moeten geven aan de gebruikers, zou het dan niet handig zijn om die gelijk te maken aan het primaire SMTP adres? Het is voor gebruikers namelijk makkelijker te onthouden dat ze bij Office 365 in kunnen loggen met hun mailadres.

Een script om dit uit te voeren zou er zo uit kunnen zien:

Get-ADUser -Filter { UserPrincipalName -like "*@lab1.local" } -Properties mail |
ForEach-Object {
Set-ADUser $_ -UserPrincipalName $_.mail
}

En wat als ik te laat was?

Als de UPN niet aan de eisen voldoet wordt het object wel gesynchroniseerd maar krijgt hij een UPN in je Office 365 standaard domein: tenant.onmicrosoft.com. Daar kunnen we niet mee inloggen dus dit moet veranderd worden in de juiste UPN.

Hiervoor gebruiken we de Windows Azure AD PowerShell cmdlets: Windows PowerShell-cmdlets gebruiken om uw Windows Azure AD-tenant te beheren Eenmaal verbonden kunnen we de UPN opnieuw instellen met het Set-MsolUserPrincipalName cmdlet. Bijvoorbeeld:

Get-MsolUser henk@lab1.local | Set-MsolUserPrincipalName –NewUserPrincipalName henk@office365lab.com

Tenslotte

Als we op deze manier naar de UPN kijken dan is duidelijk dat het hernoemen van je domein nooit een optie geweest is, dat is dus ook niet het probleem wat we op hoeven te lossen. Wel kan het zijn dat je pas later in het proces tegen dit onderwerp aanloopt en hierdoor verrast wordt. Dit kun je voorkomen door je implementatie te plannen en uit te voeren aan de hand van de documentatie op TechNet:

Inmiddels heb ik de auteur van het artikeltje via Twitter gesproken, hij heeft de naam van het artikel al aangepast en de term ‘without a domain rename’ laten vervallen. Bovenstaand artikel is hiermee gelijk wat minder relevant geworden maar ik hoop dat het alsnog wat bijdraagt.

Tuesday, December 17, 2013

Ook voor Forefront UAG is het einde nu gekomen, een terugblik

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Een mooi gezegde om een grotere en onbekende macht mee te verklaren, heel mooi want er zit iets van berusting in. Je kunt het niet beredeneren, je kent de overwegingen niet en hebt geen andere keuze dan het resultaat maar te accepteren. Hier moest ik aan denken toen ik net het nieuws hoorde dat Microsoft ook het einde aangekondigd heeft van Forefront UAG.

In 2006, ISA was inmiddels volwassen en werd opgevolgd door de net iets verbeterde ISA 2006, kocht Microsoft Whale Communications. Niet lang daarna kwam Intelligent Application Gateway (IAG) 2007 op de markt. In 2010 werd de tweede versie sinds de overname door MS uitgebracht, nu hernoemd naar Unified Access Gateway (UAG) 2010 en onderdeel van de nieuwe security-reeks Forefront. UAG was niet slecht, veel mogelijkheden om met trunks en portals allerlei applicaties te publiceren met legio mogelijkheden voor authenticatie en SSO. Het systeem met include-files maakte het kinderspel om functionaliteit aan te passen of zelfs toe te voegen.

Waar DirectAccess in Server 2008 R2 een nieuwe en gestroomlijnde VPN-ervaring bracht, was de implementatie van UAG 2010 een stuk eenvoudiger. Microsoft pushte UAG ook vooral als het platform om DirectAccess me uit te rollen. Zo werden er legio TechNet sessies en blogposts over dit onderwerp geschreven. Maar toch hield UAG ene plek aan de zijlijn, dit kwam ook door de prijs van hele duizenden euro’s en het dure licentiemodel met CALs.

Daarna werd het stiller rondom UAG. Server 2012 werd het primaire en betere platform voor DirectAccess, ondersteuning voor nieuwe workloads komt met mondjesmaat, drijvende kracht Erez Ben Ari krijgt een andere baan binnen Microsoft en in September 2012 wordt het einde aangekondigd van Forefront TMG. Interessante zinsnede:

It is important to note that there are no significant changes to the Forefront Identity Manager or Forefront Unified Access Gateway roadmaps.  These solutions continue to be actively developed.  Forefront UAG 2010 SP2 was released in August 2012 and Forefront Identity Manager 2010 R2 was release in June 2012. 

Toch wees niets er op dat er een opvolger zou komen voor UAG. Nog geen maand geleden kwam er onverwachts nog een SP4 en inmiddels bleek dat de nieuwe Web Application Proxy rol van Server 2012 R2 de nieuwe oplossing ging zijn om applicaties te publiceren. Tot er vandaag eindelijk een definitief bericht kwam met de titel Important Changes to the Forefront Product Line.

Microsoft will not deliver any future full version releases of Forefront UAG and the product will be removed from price lists on July 1, 2014

Daar is dus het nieuws wat eigenlijk geen nieuws meer was. UAG klanten met SA krijgen voor elke UAG server een licentie voor Windows Server 2012 R2 die de nieuwe WAP rol heeft. Mainstream support tot 14 April 2015 en extended support, de fase waar je liever niet in wilt zitten, loopt tot 2020.

Is de Web Application Proxy rol dan al klaar voor Lync en Exchange? Er wordt met mondjesmaat mee geëxperimenteerd waarbij men al snel merkt dat ook deze rol nog heel beperkt is. Zelf formuleert Microsoft het als volgt:

Web Application Proxy provides application publishing capabilities, similar to Forefront Unified Access Gateway (UAG). However, Web Application Proxy interacts with other servers and services to provide a more streamlined deployment. This helps you to concentrate on configuring only the necessary parts of your deployment. It is recommended that for any new deployments where you require application publishing capabilities for the scenarios described above, you should use Web Application Proxy.

Ook heeft Microsoft al aangegeven dat ze erkennen dat WAP in Server 2012 R2 nog heel beperkt is maar wel doorontwikkeld wordt, volgende versies moeten snel nieuwe features gaan introduceren.

En dan zijn er nog leveranciers als KEMP die hun load balancer in rap tempo doorontwikkelt tot een echte Application Delivery Controller. Met het Edge Security Pack kun je webdiensten publiceren met basic of forms-based authentication en single sign-on. De huidige versie is nog wat spartaans maar ESP v2 wordt begin 2014 verwacht en zal een stuk verbeterd zijn. Ik volg de ontwikkelingen met belangstelling en zal mijn bevindingen hier op het blog blijven delen.

Tuesday, December 10, 2013

Exchange 2010 Hybrid Configuration: Objects added to a BindingSource’s list…

Op een Exchange 2010 hybride omgeving met SP3 en CU1 of CU2 geïnstalleerd, kan het zijn dat je een foutmelding krijgt wanneer je aanvullende domeinen aan de Hybrid Configuration toe probeert te voegen.

image

Objects added to a BindingSource's list must all be of the same type.

Dit probleem is opgelost in Update Rollup 3 voor Exchange Server 2010 SP3. Deze moet minimaal geïnstalleerd zijn op de server waar je de Exchange Management Console gebruikt om de Hybrid Configuration Wizard wilt uitvoeren.

Monday, December 2, 2013

Forefront UAG 2010 Service Pack 4 is uit

Een week gelden werd ik aangenaam verrast door het plotseling verschijnen van een Service Pack voor Forefront TMG. Deze week is het weer raak, nu is ook het 4e Service Pack voor Forefront UAG 2010 uitgekomen. Zoals gebruikelijk is er een lijst beschikbaar met een selectie van de opgeloste problemen: Description of Forefront Unified Access Gateway 2010 Service Pack 4. En waar SP3 al ondersteuning voor Windows 8 clients bood, is deze met SP4 uitgebreid met ondersteuning voor Windows 8.1 clients.

Je kunt SP4 installeren op UAG servers die al voorzien zijn van SP3 met Rollup 1, downloaden doe je hier: Forefront Unified Access Gateway (UAG) 2010 Service Pack 4 (SP4)

Wednesday, November 27, 2013

Exchange 2013 CU3 heeft storende fouten niet verholpen

Eén van mijn persoonlijke ergernissen is wel de hoeveelheid errors en warnings die een ‘schone’ Exchange 2013 server rapporteert in het event log. Events, met name van het type warning en error, horen zinvolle informatie te geven en de beheerder te informeren. Na installatie van Exchange 2013 CU3 op een CU2 server valt mij op dat in ieder geval de volgende false positives nog steeds verschijnen:

image

image

Het gaat om event id 1006 van source MSExchangeDiagnostics en 6002 van MSExchange Mid-Tier Storage. Beide events worden door veel beheerders gezien maar lijken niet een echt issue te zijn. Ik schreef hier al eerder over:

Tuesday, November 26, 2013

Lang verwacht en toch gekomen: Exchange 2013 CU3

image Een paar dagen geleden schreef ik hier al over en nu is hij er dan eindelijk, de derde Cumulative Update voor Exchange 2013. Naast alle fixes uit CU2 zijn er minimaal 23 recente isseus verholpen in deze CU, waaronder de storende You cannot forward an external meeting request in an Exchange Server 2013 environment. Een lijst met de andere problemen die met CU3 opgelost zijn vind je hier:

Description of Cumulative Update 3 for Exchange Server 2013

Verder introduceert CU3 nog wat nieuwe en verbeterde features. Een interessant voorbeeld is het Administrator Audit Log die je nu direct in kunt kijken in plaats van deze via mail aan te laten leveren. In EAC ga je naar Compliance Management, Auditing en klik dan op View the administrator audit log. Helaas is het nog niet mogelijk om Exchange 2013 CU2 op Windows Server 2012 R2 te installeren, die komt pas met de volgende CU die als SP1 gepresenteerd gaat worden. Denk ook nog even aan eventuele aanpassingen in web.config op de CAS servers, deze worden overschreven en dien je dus opnieuw uit te voeren na de installatie van CU3.

Vraag je wel even af of je graag early adopter wilt zijn en deze direct in je productie-omgeving uit wilt rollen. Eenmaal geïnstalleerd kun je een Exchange 2013 CU namelijk niet meer verwijderen. Het is verstandig om de blog- en Twitterwereld eerst even in de gaten te houden om te ontdekken of CU3 nieuwe problemen introduceert of niet.

Je kunt Exchange 2013 CU3 downloaden in het Download Center: Cumulative Update 3 for Exchange Server 2013 (KB2892464)